Nieuwe Adviesdienst voor School en Ouders ~ 'De Lantaarn'
Naar het overzicht van wat 'De Lantaarn' nog meer te bieden heeft. REKENEN LERENRekenen leren is een veelomvattende zaak, maar wij van 'De Lantaarn' vragen vooral aandacht voor het inzichtelijk kunnen rekenen 'van 0 tot 100' en voor de vaardigheden om de bewerkingen uit te voeren. Daarbij hanteren we een oude definitie, die op het volgende neer komt: je
kunt rekenen Dat we met het inzichtelijk rekenen in het gebied van 0 - 100 blijven, heeft als groot voordeel, dat het dan makkelijker is om je een voorstelling te maken van wat je aan het doen bent. Scholen die met zwakke rekenaars te maken hebben, zouden ook prioriteit moeten geven aan deze doelstelling. Wie niet vlot kan rekenen 'van 0 tot 100', heeft verderop in de stof alsmaar problemen. En dan de rekenbewerkingen. Die vatten we op als een vaardigheid volgens vaste stappen, die je veel moet oefenen en die je aanleert op een inzichtelijke basis met kleine getallen (eerst weer t/m 100 en zo nodig hoogstens t/m 200, dat geeft mogelijkheden genoeg). Vervolgens als vaardigheid uitbreiden met grotere getallen zonder dat steeds weer geprobeerd wordt om de bewerking op een inzichtelijke manier uit te voeren. Momenteel zijn er in de moderne rekenmethodes
andere vormen van cijferend vermenigvuldigen en delen in zwang, die naar de mening
van 'De Lantaarn' het zogenaamd inzichtelijk rekenen veel te ver doorvoeren. Bovendien
worden er allerlei oplossingsmethodes opengelaten, die wel leuk zijn maar niet
vruchtbaar. In het algemeen wordt de onderzoekskant in de basisschool steeds uitgebreider ingevuld. Zo zijn er allerlei toetsen van het leerlingvolgsysteem en toetsen die de interne begeleider gebruikt, soms nog uitgebreid met testen door een externe deskundige. Dit kost veel tijd, zowel voor het kind als voor de leerkracht. Maar het gaat er uiteindelijk om dat de leerkracht een foutenanalyse maakt om dan een aanpak te kiezen. Waar zitten dan meestal de problemen? Wij van 'De Lantaarn' zijn er een voorstander van om het rekenonderzoek sterk te vereenvoudigen om tot de kern van de problemen door te dringen. Wat zijn belangrijke bouwstenen?
Leerlingen
in groep 3.
Dat
ze de zogenaamde 'stipsommen' niet snappen, is een
signaal van dit probleem.
en
Veel leerkrachten zullen, evenals wij van 'De Lantaarn', wel geleerd hebben dat een beeld als middel bij het leren rekenen breed toepasbaar moet zijn. Dus niet afhankelijk van het soort som. Een berucht voorbeeld is: 65+27. 't Lijkt wel handig om 60+20 en dan 5+7 te doen, maar bij 65-27 wordt een analoge werkwijze voor sommige kinderen gecompliceerd: 60-20 en dan 5-7; wat nu????? De wip is een breed toepasbaar middel. Een structuur, die onafhankelijk is van het type som. Hiermee wordt bijv. ook duidelijk dat x + 2 = y omgezet kan worden in x = y - 2: x + 2 = y......aan allebei de kanten 2 eraf......x = y - 2 En: dat 4 kg ook 8 pond is, kan voor kinderen duidelijk gemaakt worden door 'de wip' van: 1 kg = 2 pond en dan vervolgens aan elke kant 4x. Op het niveau van groep 3 worden de moeilijke stipsommen meteen duidelijk. Na enkele leerstappen in het wipprogramma komen de kinderen tot de volgende verkorting: 3 + . = 5
Naast de balans of wip, is de getallenlijn een belangrijke structuur (zie verder bij het onderwerp 'getallenlijn'). Verder is het bij leerlingen in groep 3 de vraag hoe het getalbegrip zich heeft ontwikkeld. Is het kind niet verder gekomen dan door één voor één tellen het aantal bepalen met vervolgens het getal erbij?
Of heeft het aantal al een bepaalde structuur, bijv. zeven is vijf en nog twee. Hoewel een rekenrek met steeds 5 rode en 5 witte kralen wel wat houvast biedt, zien we meer in de kralenketting. Eerst met 20 kralen en later met 100. Een prachtige voorloper van de lege getallenlijn. Leerlingen
in groep 4. met kleine aantallen gewerkt worden, maar vanaf 4 zijn de concrete hoeveelheden toch al moeilijk om ineens te overzien. Door bijv. t/m 12 te gaan, wordt het niet echt veel moeilijker dan t/m 10. Verder begint de getallenlijn een steeds grotere rol te spelen als een oplossingsstructuur. Let wel: de getallenlijn, niet een honderdveld (waar de rijen van 10 onder elkaar staan). Het is dan nodig, dat de kinderen goed t/m 100 kunnen tellen. D.w.z. ze moeten de opeenvolging van de getallen kennen en ook vanaf een willekeurig getal verder en terug kunnen tellen. Eén voor één en met sprongen van 10. (Bijv. ik noem 52 en vraag om terug te tellen.) Hieronder ziet u welke getallen een rol kunnen spelen bij de som 52-27. Eerst bij het honderdveld en dan bij de getallenlijn: honderdveld: getallenlijn:
Het zal duidelijk zijn, dat met de getallenlijn beter zichtbaar is welke stappen en getallen een rol spelen. Bij het onderdeel getallenlijn gaan we hierop nader in. Op deze plaats willen we nog een voorbeeld laten zien van een dubbele getallenlijn:
Alle eerder genoemde bouwstenen komen nu aan de orde. Leerlingen
in groep 5 en hoger. Ze moeten de telrij tot 100 goed kennen. D.w.z. de opeenvolging van de getallen en vanaf een willekeurig getal verder en terug kunnen tellen. Ook het heen en terug kunnen tellen met sprongen van 10 is belangrijk. Inzicht in de structuur van de getallenrij is onontbeerlijk om de plaats van een getal in de getallenreeks tot 100 ongeveer te kunnen bepalen. (Waarbij ligt 56 dicht in de buurt, tussen welke tientallen ligt het en welke tiental ligt dichter bij?) De vaardigheden waarom het
gaat, betreffen de reeds genoemde tientalpasseringen
en de tafels. Als kinderen in groep 6 of verder vastlopen,
weten we uit ervaring bijna zeker dat het bij hen ook schort aan het zojuist genoemde.
Dit (ogenschijnlijk) eenvoudige niveau moet vooral onderzocht worden. Als dat
in orde is, kan er nog wel sprake zijn van veel rekenfouten, maar dat is dan meer
een rekenzwakte. Geen rekenprobleem; de leerjaar gebonden toetsen kunnen dan aangeven
waaraan verder gewerkt moet worden om aan te sluiten waar het kind gebleven is.
We zijn deze pagina begonnen met de kop 'Beperking'. Toen ging het om het leerstofgebied waarvoor we vooral aandacht wilden vragen. Nu stellen we weer een beperking aan de orde en wel met betrekking tot het hanteren van de onafhankelijke toetsen (meestal van het CITO). Wij van 'De Lantaarn' vinden dat onafhankelijke leerjaartoetsen t/m groep 5 overbodig zijn als de leerkracht goed met de methode werkt. De basis daarvoor is hoeveelheden vergelijking, met aanvullen of verminderen. Daarmee hangt samen het kunnen verdelen van hoeveelheden, wat in somvorm getalsplitsing genoemd wordt (bijv. 'acht is zes en twee'). Vervolgens wordt de getallenlijn hieraan gekoppeld om ook met grotere hoeveelheden vergelijkingen te kunnen uivoeren. Bij een goed opgebouwde en ook goed gevolgde methode is dit rekenproces bij de kinderen nauwkeurig te volgen en eventueel bij problemen nader te onderzoeken. Dan zijn er de vaardigheden om uit het hoofd te rekenen, eerst t/m 12 en dan t/m 20, gevolgd door t/m 100. Op elk niveau oefenen we zowel getalsplitsingen, optellen, aftrekken als later 'tafels'. Ja, u leest het goed: we oefenen naast 6+3=9, later ook 3x3=9. En naast 9+9=18 later ook 2x9=18. Hierbij moet getraind worden op de reproductie-snelheid en dat gaat niet vanzelf. De leerkracht moet dat organiseren. Dat gebeurt hier en daar veel te weinig. Vroeger was er het opdreunen en nu is er misschien een computerprogramma of een andere speelse manier: het moet wel gebeuren. Welke ingang kiezen we nu als er nader onderzoek nodig is? De onderzoekskaarten voor optellen en aftrekken
staan met een groter lettertype samen op één A4. Onderzoekskaart
optellen t/m 20: Notatieblad optellen t/m 20: tie-opt.doc (vanaf Word 2.0) Onderzoekskaart aftrekken
t/m 20: Onderzoekskaart vermenigvuldigen: Notatieblad tafels (vermenigvuldigen en delen): tafels.doc (vanaf Word 2.0) In
het voorgaande gedeelte is voldoende duidelijk geworden, wat het principe is van
het beeld van de wip of de balans. Wie als leerkracht met het wipprogramma wil
werken, moet dit beeld goed helder hebben. Dat geldt ook voor de functie van de
vergelijkingstekens. Voor de verdere uitwerking kunt u naar de uitvoerige beschrijving van het wipprogramma gaan. Voor onderwijsmensen is dit een bekende term. Het gaat hier om sommen van het type 8+3, waarbij het antwoord over de 10 heen komt. Ze worden als moeilijkere vormen beschouwd in de beginfase van het rekenen. Doorgaans worden ze aangeleerd met de tussenstap naar het tiental, dus als 8+2+1. Daarmee wordt het een aanvullingssom tot 10 en een splitsingssom van, in dit geval, 3=2+1. De kinderen moeten de vaardigheid van de getalsplitsingen t/m 10 onder de knie hebben, om de beschreven werkwijze vlot te kunnen toepassen. Als kinderen problemen hebben met de tientalpassering moet dus eerst uitgezocht worden hoe het zit met de getalsplitsingen. Als we als voorbeeld nemen 8+7, dan worden er in moderne rekenmethodes diverse 'oplossingsstrategieën' benut.
Op zichzelf levert dit een wendbare manier van rekenen op en dat is prima. Maar de zwakke rekenaar hoort dat allemaal en probeert ook eens wat ervan. Bijv. het magische verdubbelen, zoals in dit voorbeeld 8+8. Maar dan toegepast bij 8+3. Dan helpt het je niet verder. Wij van 'De Lantaarn' zijn er voorstander van om het aanvullen tot 10 als uitgangspunt te nemen. En het kind dat andere variaties kan uitvoeren, krijgt daarvoor de ruimte. Voor alle kinderen komt het moment, dat het antwoord direct uit het geheugen gehaald moet kunnen worden. Dat gaat niet vanzelf. 't Wordt nogal eens over het hoofd gezien, maar hierop moet geoefend worden. Misschien verwacht de school wel, dat dit thuis gebeurt. 'De Lantaarn' heeft daarvoor een oefensysteem, waar altijd succes mee behaald wordt en waarbij het organiseren ervan eenvoudig te doen valt. Bij dat oefensysteem is sprake van opdrachtkaartjes. Hieronder geven we een lijst weer van sommen in de optel- en aftrekvorm, die op die opdrachtkaartjes geschreven kunnen worden.
We presenteren hier niet een programma om de tafels aan te leren. Daarvoor verwijzen we naar de gangbare rekenmethodes. Wel willen we de aandacht vestigen op waar een tafel eigenlijk over gaat. Het is in feite een optel- of aftrekrrij met een aantal stappen tegelijk. Bij de tafel van 2 zijn het stappen van 2, bij die van 10 stappen van 10, enz. Bovendien worden de antwoorden tot en met een aantal van 10 stappen uit het hoofd geleerd; de tafels lopen immers van 1x tot en met 10x. Momenteel gaat men niet verder meer dan stappen van 10. (Tot in de jaren 50 leerde men ook tafels met stappen van 12 of meer.) Ook voor de tafels komt het moment dat de antwoorden snel uit het geheugen gehaald moeten kunnen worden. Als hulpmiddel hierbij heeft 'De Lantaarn' een tafelkaart en het genoemde oefensysteem. Van L. van Essen kregen wij een tafelkaart, waarbij met kleuren de structuur verduidelijkt is. Kralenketting en Getallenlijn. Hierboven
lieten we al zien dat het veelgebruikte honderdveld niet op kan tegen de getallenlijn.
Op deze plaats moeten we het nu hebben over het soort getallenlijn: een getallenlijn met streepjes voor de getallen (al dan niet met de getallen erbij) of een lege getallenlijn. Op een voor-ingevulde getallenlijn blijven de kinderen tellen. Op een kale lijn moeten de kinderen zelf de streepjes en getallen zetten en de verschillen tussen de getallen aangeven met boogjes. Hieronder ziet u dit gebeuren met 52-27:
Op deze manier krijgen de kinderen inzicht in de verhoudingen en in wat er gebeurt bij optellen en aftrekken. Er blijken ook meerdere wegen mogelijk: Een
ander voordeel van de lege getallenlijn is, dat door het trekken van een eenvoudig
lijntje de getallenlijn meteen bij de hand is.
De getallenlijn is een model dat voorbereid kan worden door de kralenketting, eerst die van 20 en later die van 100.
Deze term is minder bekend dan dyslexie. De letterlijke betekenis is: 'slecht kunnen rekenen'. Als een kind niet goed kan rekenen heeft dat in de basisschool minder consequenties dan als er met lezen iets aan de hand is, omdat rekenen een veel kleinere rol speelt bij de andere vakken. Misschien dat daarom de term dyscalculie minder aandacht krijgt. Overigens vermijden wij van 'De Lantaarn' termen als dyslexie, dysorthografie en dyscalculie in de leeftijd van het basisonderwijs. Op
de basisschool gaat het om het verwerven van basiskennis en basisvaardigheden
waaraan zo goed mogelijk gewerkt moet worden. Dan kan er sprake zijn van bepaalde
zwaktes: een rekenzwakte in dit geval. Het is dan van belang om dit tijdig te
signaleren en de hulp hierop af te stemmen, eventueel door nader onderzoek. Maar
om dan meteen al van dyscalculie te spreken, gaat ons te ver. Hoogstens zouden
we in de basisschoolleeftijd willen spreken van kenmerken: van dyslexie, van dysorthografie
of van dyscalculie. We moeten de problemen wel onderkennen, maar veel
hangt ervan af hoe het onderwijs vorm wordt gegeven. En daarover willen wij van
'De Lantaarn' het hebben (zoals u kunt zien op deze pagina). Als nu, na acht leerjaren
goed basisonderwijs, een kind slecht is gebleven in een bepaalde vaardigheid,
dan pas spreken wij van 'De Lantaarn' van dys...... (dys=slecht). En als het allemaal
moeizaam is gegaan, maar toch voldoende eindigt, dan geven we aan het voortgezet
onderwijs door dat er sprake is van bijv. kenmerken van dyscalculie en welke,
zodat men daar weer de passende maatregelen kan nemen. Waarmee kan rekenzwakte zoal te maken hebben?
Als de oorzaak niet in het bovenstaande ligt, dan moeten we kijken hoe het kind zich de basisvaardigheden eigen maakt:
Pas als deze problemen bij een goede aanpak na een jaar van intensief werken hardnekkig blijken te zijn, zouden we van kenmerken van dyscalculie willen spreken.
aantal bezoekers: Nieuwe Adviesdienst voor School en Ouders ~ 'De Lantaarn' |