Nieuwe
Adviesdienst voor School en Ouders ~ 'De Lantaarn' LEZEN
LEREN Dyslexie. Rondom
het begrip 'dyslexie' heerst
veel verwarring. In ieder geval is duidelijk dat met de termen 'woordblind'
en 'leesblind' hetzelfde bedoeld werd. Vaak rekent men onder dyslexie zowel
problemen met het lezen als met de schrijfwijze van woorden (de spelling). Wij
van 'De Lantaarn' vinden het lezen iets anders dan de spelling. Als wij het over
dyslexie zouden hebben, dan zouden we leesproblemen bedoelen. Spellingsproblemen
zouden we dan dysorthografie noemen. Maar we zullen deze termen vermijden. Op
de basisschool gaat het om het verwerven van basiskennis en basisvaardigheden
waaraan zo goed mogelijk gewerkt moet worden. Dan kan er sprake zijn van bepaalde
zwaktes: een leeszwakte en een spellingszwakte in dit geval. Het is dan van belang
om dit tijdig te signaleren en de hulp hierop af te stemmen, eventueel door nader
onderzoek. Maar om dan meteen al van dyslexie te spreken, gaat ons te ver. Hoogstens
zouden we in de basisschoolleeftijd willen spreken van kenmerken: van dyslexie,
van dysorthografie of van dyscalculie. (Zie voor deze laatste term het
onderwerp 'Rekenen leren' bij 'De Lantaarn'.
| 'Onderzoek
laat zien, dat ongeveer 15% van de kinderen tijdens het leren lezen uitvalt. Die
uitval van 15% is alsvolgt opgebouwd: maximaal 3% van de uitvallende kinderen
is dyslectisch en de resterende 12% uitval moet toegeschreven worden aan het onvoldoende
realiseren van intensieve instructie voor deze kinderen of aan didactische verwaarlozing.'
(K.Vernooy, CPS/Amersfoort/april
2001)
Er
is in jan. 2003 een rapport verschenen, dat moet leiden tot een vergoedingsregeling
m.b.t. de diagnostiek en behandeling van dyslexie. In dat rapport komt L.Blomert
tot de conclusie dat we jaarlijks te maken zullen hebben bij de nieuwe leerlingen
met 3,6% dyslexie. |
We moeten de problemen wel onderkennen,
maar veel hangt ervan af hoe het onderwijs vorm wordt gegeven. En daarover willen
wij van 'De Lantaarn' het hebben (zoals u kunt zien op deze pagina). Als nu, na
acht leerjaren goed basisonderwijs, een kind slecht is gebleven in een bepaalde
vaardigheid, dan pas spreken wij van 'De Lantaarn' van dys...... (dys=slecht).
En als het allemaal moeizaam is gegaan, maar toch voldoende eindigt, dan geven
we aan het voortgezet onderwijs door dat er sprake is van bijv. dyslectische kenmerken,
zodat men daar weer de passende maatregelen kan nemen.
Op deze plaats gaat het verder over de leeszwakte;
over de spellingszwakte kan men kijken bij 'De Lantaarn' in het Overzicht:
'De spelling leren'. We staan voor de taak dat
zo min mogelijk kinderen een leeshandicap oplopen door hun leeszwakte. We drukken
ons met opzet zo uit om aan te geven dat we vooral preventief moeten werken. (Kijk
hieronder ook bij: 'Problemen voorkomen'.) Dat
betekent dat we allerlei inzichten uit de theorie van het lezen leren in ons onderwijs
moeten opnemen; gelukkig zijn de meeste leerkrachten deskundig genoeg om dat te
kunnen. Maar ook de inzichten uit aanpakken die gebruikt worden als er al sprake
is van een min of meer ernstige leeszwakte, kunnen verweven worden in ons omgaan
met de kinderen, zowel thuis als op school. (Kijk ook bij 'De Lantaarn'
in het Overzicht: 'Behandeling van leerproblemen'.)
We denken hierbij aan: voorlezen,
zelf lezen, nauwkeurig kijken en doen (bij puzzels, bouwen naar voorbeeld, kleuren,
tekenen), de aandacht oefenen bij het luisteren en navertellen van verhalen en
het nazingen van liedjes, gecoördineerd bewegen bij huppelen, hinkelen, touwtje
springen, bal gooien en vangen, lichaamsoefeningen met armen en benen, enz.
We
kunnen niet alle problemen voorkomen; als dus toch een leeshandicap lijkt te ontstaan,
moeten we die tijdig signaleren. Als het lezen aan het eind van groep 3 nog niet
op gang is gekomen, dan is deskundig onderzoek nodig door de onderwijsbegeleidingsdienst.
(Bij 'Informatie van anderen' vindt u een verwijzing
naar een signaleringslijst. 'De Lantaarn' zou er de voorkeur aan gegeven hebben
om hierbij niet de spelling te betrekken, zoals de signaleringslijst wel doet.
Verder vinden wij de uitspraak dat een dyslectisch kind beslist niet in het speciaal
onderwijs hoort, erg ongenuanceerd.) Wat kan
er dan aan de hand zijn? - Het
leren van de moedertaal kan moeizaam verlopen zijn of het spreken is belemmerd;
er is dan een taalzwakte. Overleg met een logopedist is van belang.
- Er
kunnen problemen zijn met de waarneming (in dit geval: het horen en het zien);
dan is er dus behalve de leeszwakte ook een waarnemingszwakte.
Gehoorproblemen
in de vroege kinderjaren beïnvloeden het waarnemen van klankverschillen;
het is van belang er rekening mee te houden door als opvoeder duidelijk te spreken
en op een manier dat het kind naar je toegewend is. Bij duidelijke vormen
van slechtziendheid zal de oogarts de waarnemingszwakte proberen op te vangen
door een bril. Maar wanneer het gezichtsvermogen normaal is, kunnen er toch waarnemingsproblemen
zijn; bijv. - het kind
houdt het hoofd opvallend schuin bij het lezen
- het
kind gaat tijdens het lezen al gauw in één van de ogen wrijven of
bedekt één oog
- het hoofd wordt nadrukkelijk
heen en weer bewogen tijdens het lezen, i.p.v. met de ogen de regel te volgen
- de
leesregel wordt vaak kwijtgeraakt
- hoofdpijn na het
lezen
Het beste is in zo'n geval om deze verschijnselen op te schrijven
en voor te leggen aan een oogarts. 't Komt nogal eens voor dat een oogarts
geen problemen met de waarneming aantreft, maar een 'optoloog' wel. Dit is voor
ouders en school verwarrend. Het zou een goede zaak zijn als er vanuit de kring
van de oogartsen meer aandacht komt voor deze problemen. We bevinden ons op 'glibberig'
terrein omdat niet iedereen hierover hetzelfde denkt. 'De Lantaarn' adviseert
om met bovengenoemd lijstje eerst naar een oogarts te gaan en mocht hier niets
uit komen, om dan een 'optoloog'
te raadplegen. (Overleg met uw ziektekostenverzekering of hiervoor vergoedingen
bestaan en wees erop bedacht dat dit kan tegenvallen.) Naast intensieve waarnemingstraining
moet er ook altijd een koppeling zijn met extra leeshulp.
Bij
nogal wat kinderen is er sprake van een minder duidelijke handvoorkeur; het kind
schrijft en tekent (inmiddels) dan wel rechts, maar doet een aantal proefjes in
de richting van een linkshandige. Daardoor kan het onzeker worden m.b.t. bijv.
de leesrichting, de stand van de letters (zoals b / d) en de volgorde ervan (kurk
/ kruk). Het kind bekijkt het als het ware de ene keer van de ene kant en de andere
keer van de andere. Dan kun je nog beter puur linkshandig zijn, want dan weet
je dat je steeds de neiging hebt om vanaf de andere kant te lezen (linkshandigen
hebben ook last van 'omkeerverschijnselen', maar hoeven daardoor geen leeszwakte
te ontwikkelen). Hier is er naast de leeszwakte dus ook sprake van richtingproblemen
vanuit het lichamelijke. De leesrichting vraagt extra aandacht. ('De Lantaarn'
besteedt hieraan aandacht in een 'Orthotip'; zie het Overzicht) .
In de beginfase van het lezen leren,
moeten letterklanken aan elkaar gekoppeld worden (voor ouders vaak een onduidelijk
gebeuren, door de school 'auditieve
synthese' genoemd). We willen op deze plaats de aandacht vestigen op mogelijke
gehoorproblemen (die misschien in de vroege kinderjaren aanwezig waren en nu al
niet meer) of een geheugenzwakte om deze klanken vast te houden en ook nog in
de goede volgorde ('auditief
geheugen' genoemd); dan kan er ook geen woord gevormd worden met de letterklanken.
Het onthouden van lettertekens
of groepjes ervan of een geheel woord ('visueel
geheugen') is vaak gekoppeld aan de klank, maar een geheugenzwakte om de
tekens bij het zien te herkennen, werkt belemmerend. Er
kan sprake zijn van een aanleg die over de hele linie zwak is. De leeszwakte verschijnt
dan samen met (in meer of mindere mate) een verstandelijke zwakte. Vaak zijn dan
kleinere leerstapjes nodig en meer oefentijd. 't
Komt nogal eens voor dat bij navraag de leeszwakte in de familie zit, zodat erfelijkheid
in het spel kan zijn. Vaak betreft het de mannelijke lijn. Daarbij moeten we denken
aan het 'neurologisch systeem'; wij van 'De Lantaarn' zijn op dit terrein niet
deskundig, maar we hebben wel aanwijzingen in de literatuur gelezen, waaruit blijkt
dat in aanleg de bouw van de mannelijke hersenen in dit opzicht zwakker is.
Een leeszwakte kan ook voorkomen
bij normale verstandelijke mogelijkheden. Als kleuter verloopt alles normaal,
zowel voor leerkrachten, ouders als kind. En dan in groep 3 / 4 ontstaat de achterstand
en die blijft maar voortduren. Dat is moeilijk te begrijpen, voor de volwassene
en nog meer voor het kind. Dat kan leiden tot bravourgedrag, een negatieve houding,
faalangst of tot het vermijden van lezen. Deze verschijnselen zijn dan dus het
gevolg van de leeszwakte, niet de oorzaak.
Het
zal duidelijk zijn dat de leeszwakte versterkt wordt door de factoren die onder
1 t/m 7 genoemd zijn. En dan is er ook nog het nadeel dat kinderen met een leeszwakte
steeds minder leesplezier krijgen en daardoor ook minder zelf lezen. Kinderen
die het lezen vlot onder de knie krijgen, oefenen zichzelf enorm omdat ze het
leuk vinden! 't Is dus uiterst belangrijk om bij een (dreigende) leeszwakte de
leesmotivatie op gang te houden. Voor
de leesmotivatie is het in de eerste plaats belangrijk,
dat de opvoeders op school en thuis vertrouwen in het kind blijven tonen. Maar
dat is op zeker moment niet genoeg meer, want het kind ervaart vaak het achterblijven
als falen. Dan is het moment aangebroken om in een enkele zin uit te leggen, dat
er sprake is van een leeshandicap, waar WE aan werken. Vooral: we; kind, ouders
en school samen. Met dichtbij liggende tussendoelen, die voor het kind zichtbaar
gemaakt worden. Voor oudere kinderen werken we met 'contracten'
waarin een bepaalde intensieve oefenperiode wordt afgesproken, waarna er een 'rustperiode'
volgt. (Kijk ook bij 'De Lantaarn'in het Overzicht:
'Kinderen helpen'.) 't Komt nogal eens voor dat we de kinderen
teveel informatie geven over hun handicap. 'De Lantaarn' adviseert om het heel
eenvoudig te houden en pas als het kind vraagt om meer informatie er dan op in
te gaan. Eventueel kunt u dan nog aangeven, dat u op de vraag terugkomt als het
u moeilijk lijkt om een duidelijk antwoord te geven. Laten
we aannemen dat er in de basisschoolleeftijd intensief en zo deskundig mogelijk
gewerkt is om de basisvaardigheden van het lezen onder de knie te krijgen, eventueel
in het speciaal basisonderwijs. (De uitspraak die we aantroffen, dat een
'dyslectisch kind' beslist niet in het speciaal onderwijs hoort, vinden wij erg
ongenuanceerd.) Dan nog blijft bij een leeshandicap vaak een
zwakke plek bestaan. 'De Lantaarn' bepleit om deze informatie nadrukkelijk door
te geven aan het vervolgonderwijs. Daar kan men er rekening mee houden. We horen
nog wel eens de tegenwerping, dat er in het voortgezet onderwijs onbevooroordeeld
naar het kind gekeken moet worden, maar dat wil nog niet zeggen: zonder informatie
die wel in het belang van de leerling is. Doorgeven dus. 
 terug
naar het begin
| Dyslexie-protocol basisonderwijs. |
| 'Onderzoek
laat zien, dat ongeveer 15% van de kinderen tijdens het leren lezen uitvalt. Die
uitval van 15% is alsvolgt opgebouwd: maximaal 3% van de uitvallende kinderen
is dyslectisch en de resterende 12% uitval moet toegeschreven worden aan het onvoldoende
realiseren van intensieve instructie voor deze kinderen of aan didactische verwaarlozing.'
(K.Vernooy, CPS/Amersfoort/april
2001)
Er
is in jan. 2003 een rapport verschenen, dat moet leiden tot een vergoedingsregeling
m.b.t. de diagnostiek en behandeling van dyslexie. In dat rapport komt L.Blomert
tot de conclusie dat we jaarlijks
bij de nieuwe leerlingen te maken zullen hebben
met 3,6% dyslexie. | We
herhalen hiernaast eerst een bericht dat ook elders op deze pagina voorkomt. De
conclusie die men eruit kan trekken is, dat vaak ten onrechte van dyslexie wordt
gesproken, terwijl het probleem dan aan de kant van het lesgeven zit. Wereldwijd
blijft men zich bezighouden met het formuleren van een goede definitie van dyslexie.
In Nederland kwam in 1995 een belangrijke impuls met het rapport van de Gezondheidsraad
'Dyslexie ~ Afbakening en Behandeling'. We schrijven
nu 2002, het jaar waarin op grote schaal over een dyslexie-protocol voor het basisonderwijs
wordt gesproken. Of beter gezegd: het Protocol Leesproblemen en Dyslexie.
Wij van
'De Lantaarn' zouden er de voorkeur aan geven om het begrip 'dyslexie-protocol'
alleen te reserveren voor problemen met het lezen; bij spellingsproblemen zouden
we het een dysorthografie-protocol noemen. (Zie hierboven bij 'dyslexie'.) Het
is één van de middelen om afbakening en behandeling van dyslexie
te verbeteren. Gericht op het voorkómen van leesproblemen, met vooral aandacht
voor de groepen 1-4. Er wordt gewerkt met een signaleringslijst in de groepen
1 en 2, en met een signaleringssysteem d.m.v. een toetskalender in de groepen
3 en 4:
| Opmerkingen
ter zijde. - Het
zal in de jaren 1970-1980 zijn geweest dat op veel scholen aan het begin van wat
nu groep 3 is, de 'Leesvoorwaarden toets van Sixma'
door de leerkracht individueel werd afgenomen. Is zo'n soort toets niet een idee
voor een extra moment van signalering?
- In
een dyslexie-protocol moeten, naar de mening van 'De Lantaarn' ook de leerjaren
5 t/m 8 worden betrokken.
En de lijn gaat na de basisschool verder! Wie
hierover onze gezichtspunten wil vernemen, kan via e-mail
contact met ons opnemen | - begin
van het cursusjaar
- herfst
- februari
- eind
maart
- eind mei
De
verwachting is dat op deze manier, zonder uitgebreid individueel onderzoek, voldoende
gegevens verzameld kunnen worden om van dyslexie te kunnen spreken. Wij van
'De Lantaarn' gaan ervan uit dat de bevoegdheid tot het afgeven van een dyslexieverklaring
voorbehouden blijft aan een daartoe bevoegd deskundige. Met bovenbedoeld signaleringssysteem
zou men wel kunnen vaststellen in welke mate er sprake is van dyslectische kenmerken. Het
belangrijkste is echter dat qua organisatie en inhoud van het lees- en spellingsonderwijs
effectieve verbeteringen moeten worden doorgevoerd. Veel van wat wij van De Lantaarn
op deze pagina over 'Lezen leren' naar voren brengen, heeft daarin ook een plaats.
We hopen dat de voorbereidingstijd waarover leerkrachten beschikken, niet gaat
zitten in het uitwerken van toetsen. Het gaat vooral om deskundigheid op het gebied
van lezen leren en het leren van de spelling. In dit verband nog een opmerking
die we op deze pagina nog niet eerder naar voren brachten en die we ook niet in
het dyslexie-protocol aantreffen: Menige
leerkracht die voor het eerst in een nieuw groepsjaar komt te werken, zal achteraf
moeten toegeven dat zo'n eerste keer nou niet het sterkste jaar uit de loopbaan
is. Veel moet men al doende leren. Dat geldt vooral ook voor de beginfase
van het leren lezen, rekenen, schrijven, enz. Voor zover het nog mode is om zoveel
mogelijk van leerjaar te wisselen, doe dat dan niet voor groep 3. In het algemeen
is er twee jaar onderwijservaring in een bepaald groepsjaar nodig om daar op een
deskundige manier onderwijs te kunnen geven. Dit pleit ervoor om minstens zo'n
vier jaar in hetzelfde groepsjaar les te blijven geven. Als
aan deze belangrijke voorwaarde niet wordt voldaan, dan hoor je naar de mening
van 'De Lantaarn' niet tot de eerste doelgroep voor
de inscholing m.b.t. het dyslexieprotocol. Dan moet je eerst alle tijd en energie
kunnen steken in het onder de knie krijgen van het lees- en spellingsonderwijs.
Dan heb je er recht op om wat dit betreft zelf nog leerling te mogen zijn. En
je hebt er ook recht op om in dit opzicht een coach te hebben, vanuit je eigen
school of van buiten. En dan moet ook beseft worden, dat je in ieder geval zo'n
eerste jaar veel tijd nodig hebt om je routine op te bouwen; die tijd kun je niet
in allerlei vergaderingen en voor jou niet ter zake doend overleg steken. Het
getuigt van goed schoolmanagement en personeelsbeleid als bovenstaande gezichtspunten
maar eens uitgesproken worden en in de praktijk aandacht krijgen. P.S.
Denk in dit verband ook eens aan het volgende: De
betrokken ouders zouden er heel wat aan hebben als ze een oudercursus op het gebied
van lezen leren en dyslexie zouden kunnen volgen. Als een school elke twee
jaar een oudercursus m.b.t.
dyslexie organiseert, dan kan men tijdig op de vragen van ouders inspelen.
Het bespaart ook veel tijd voor individuele informatie van ouders: men kan immers
naar het cursusrooster verwijzen. Een andere mogelijkheid is om op school
als groep ouders, onder leiding van één van de leerkrachten, de
basiscursus dyslexie door te nemen,
die men bij 'De Lantaarn' online kan volgen. Bijvoorbeeld via een schoolabonnement
hierop en dan zo, dat men er ook thuis nog gebruik van kan maken. |
| Dyslexie-protocol voortgezet
onderwijs. | |
Hoewel het voortgezet onderwijs niet het werkterrein is waarop
'De Lantaarn' zich richt, besteden we toch summier aandacht aan het dyslexieprotocol
voor het voortgezet onderwijs. Dit is eind 2004 op de markt gekomen en zal vooralsnog
op een beperkt aantal proefscholen in gebruik worden genomen. Ons interesseert
vooral de doorgaande lijn vanuit het basisonderwijs en dan met name het oppakken
van de signalen die door de basisschool worden doorgegeven. Daarvoor staan stappen
in het protocol genoemd. Hierbij is er in ieder voorlopig nog sprake van vrijblijvendheid,
zowel in de rapportage op initiatief van de basisschool alsmede in het gebruik
van een 'Vragenlijst leergeschiedenis lees- en spellingsvaardigheid' die de basisschool
op verzoek van het voortgezet onderwijs kan invullen. Het
is dus belangrijk dat ouders een aantal vragen stellen: - heeft
de basisschool op eigen initiatief gerapporteerd?
- is
vanuit het voortgezet de betreffende vragenlijst naar de basisschool gestuurd
(en uiteraard: is die ingevuld)?
- hanteert de betreffende
school voor voortgezet onderwijs een dyslexieprotocol?
|

terug naar het begin
Problemen
voorkomen. Dat begint al met het
signaleren van kinderen die in groep 3 een verhoogd risico
lopen om problemen met het lezen leren te krijgen. Dat zijn:
- kinderen die in de zomer zes
jaar zijn geworden ('zomerkinderen') en die komen uit gezinnen waar weinig met
hen gedaan wordt, en waar lezen, boeken en de taalontwikkeling in het algemeen,
weinig aandacht krijgen
- allochtone leerlingen, wanneer
in het gezin de Nederlandse taal weinig aandacht krijgt
- kinderen
met een taalontwikkelingsprobleem in de peuter- en kleuterperiode
- kinderen
waarvan de taalontwikkeling qua woordenschat en uitdrukkingsvaardigheid normaal
is, maar die problemen hebben met het ontdekken van de structuur van woorden,
zodat ze moeite hebben met bijv. rijmen. Ook het herkennen van woorddelen kan
moeilijk zijn, als bijv. in voetbal: |voet| en |bal| of er zijn problemen in andere
fases van het klankbewustzijn
- verder:
houd de kinderen die langer in groep 3 zijn gebleven goed in de gaten en de kinderen
die de kleuterperiode hebben verlengd ook, want dat had een oorzaak. Ze moeten
nu normaal mee kunnen, maar stel geen overdreven eisen.
|
Een
achterstand in de taalontwikkeling kan als gevolg hebben dat de kinderen in de
loop van groep 3 of 4 met lezen minder snel vorderen dan de anderen, terwijl ze
in het begin van het lezen leren gewoon meekwamen. Dit verschil kan te maken hebben
met het verschil in woordenschat. Het aanvankelijk lezen wordt geleerd met verhaaltjes,
die simpel zijn: eenvoudige woorden, die vaak herhaald worden en met korte zinnen.
Het gaat in die teksten niet zo zeer om uitbreiding van de woordenschat of om
een verdiepte wereldoriëntatie. Maar dit hebben ze wel nodig!
Voor
deze kinderen is meer instructie nodig (waarin ook de uitbreiding van de woordenschat
een grote rol moet spelen) en ze hebben meer tijd nodig om te oefenen en het geleerde
te gebruiken in nieuwe situaties op hun niveau. Wij
van 'De Lantaarn' zijn er een voorstander van, om dat meerdere aan tijd op school
te creëren. Werk mee naar huis geven, vinden we in dit stadium niet aan te
bevelen. Toch zal er extra tijd gevonden
moeten worden, ook als er verderop in het cursusjaar nog andere kinderen dan de
bovengesignaleerde risicokinderen geholpen moeten worden. Mogelijkheden:
- Er is de mogelijkheid dat kinderen na schooltijd
door de leerkracht geholpen worden, omdat deze er overdag geen tijd voor heeft.
't Is een werkwijze die vroeger veel werd toegepast, maar momenteel veel minder.
Een veel gehoord bezwaar is, dat de kinderen na schooltijd aan spelen toe
zijn. Maar met even een onderbreking om te ontspannen hoeft dat geen bezwaar te
zijn. Verder zijn de kinderen na schooltijd met van alles 'druk'; ze kunnen
niet langer op school blijven. Onze reactie: 't is maar wat het zwaarst weegt.
Ook een bezwaar is, dat de leerkrachten vaak na schooltijd moeten vergaderen.
Ons advies: beperk dat; in het algemeen moet één keer per week efficient
vergaderen genoeg zijn. - Het inzetten van één
van de leerkrachten bijvoorbeeld van de middenbouw (d.w.z. van de groepen 3, 4
en 5) voor een groep van kinderen met leeszwakte, terwijl de andere leerkrachten
het gewone leesprogramma verzorgen.
- Het lesrooster
in groep 3 zo inrichten, dat er voor het groepje met leeszwakte 's middags een
tweede instructiemoment is, terwijl de rest van de groep met ander leeswerk bezig
is.
- Desnoods kan in groep 3 na de Kerstvakantie met
een groepje achterblijvers het lezen leren opnieuw worden gestart.
- Mogelijk
kan de differentiatie-opzet waarmee in groep
3 gewerkt wordt, nog eens bekeken worden.
- Gebruik
maken van het tutorsysteem (zie hiervoor bij onze onderwerpen: 'Tutorsysteem').
|
In ieder geval: er moet wat gedaan
worden. Eerst is er nog de signalering:
- de risicokinderen zoals boven beschreven; vanaf het begin van
groep 3
- in elke groep: na elke zes weken de leesvorderingen
beoordelen en dan een subgroepje vormen.
Dan
de werkwijze en de inhoud:
- aanvullende instructie, waarmee
de kinderen mee kunnen blijven doen
- instructie
vooraf, als voorbereiding op de nieuwe les
- faalervaringen
voorkomen
- leesmotivatie belangrijk
- technisch
lezen en begrijpend lezen integreren (kijk
ook hieronder bij 'Waarom lezen we?')
- de
eigen aanpak van de kinderen bespreekbaar maken en benutten (zelfcontrole) (kijk
ook bij 'De Lantaarn' in het Overzicht: 'Kinderen helpen'
|
Wat betreft de inhoud van de instructie
en oefeningen willen we één aspect naar voren halen. Dat is de auditieve
basis van het lezen zoals die al gelegd wordt in het luisteren naar taal. Daarbij
gaat het ook om gedetailleerd luisteren naar woorddelen zodat rijmen mogelijk
wordt en ook het zelf tot stand brengen van woordveranderingen wordt beoefend.
(Een voorbeeld van het laatste: "Het begint met [tr]: ik ga niet met de tram,
maar met de ....") Verderop in het lezen leren: het herkennen in woorden
van veel voorkomende spellingspatronen met de erbij horende klankgroep. (Voorbeeld:
in kalm zie en 'hoor' ik [kal]; in klam [kla]? of [kla:]?, het is [kla].)
Nog weer later: het herkennen en 'horen' van de verschillende e's
in: gegeten; en "Wat staat dáár nou: navulverpakking? [navel]?
nee [na] [vul]". Het voert op deze
plaats te ver om de werkwijze en inhoud nog verder uit te werken. Hieronder vermelden
we nog wel enkele belangrijke aandachtspunten. In Amerika zijn bekende programma's
'Success for All' en 'Reading
recovery'; een combinatie van beide programma's is het Nederlandse 'Effectief
Leren Lezen Ondersteuningsprogramma (ELLO)'. Voor advies en begeleiding kunt u
terecht bij een onderwijsbegeleidingsdienst. Eventueel
kunt u bij 'De Lantaarn' via E-mail
om advies vragen; we hebben ook beknopte informatie over ELLO
opgenomen. Enkele
belangrijke aandachtspunten ontlenen we met toestemming aan een artikel van |

terug naar het begin
Waarom
lezen we? Volwassenen lezen als ze
informatie willen opdoen en wanneer ze hun gevoelens willen bevredigen; deze twee
kanten van het lezen kunnen ook tegelijk voorkomen. Het bevredigen van gevoelens
d.m.v. lezen kan heel divers liggen, maar één aspect komt bij volwassenen
niet zo voor. Namelijk: lezen om te ervaren dat je kunt lezen. Bij beginnende
lezers is dat gevoelsaspect zeer belangrijk en als die ervaring door het uitblijven
van succes niet optreedt, dan zakt de motivatie voor het lezen leren weg.
Zowel bij het verzamelen van informatie als bij het bevredigen van gevoelens door
lezen, is in vrijwel alle gevallen begrijpend lezen
nodig. Een uitzondering zijn de teksten, waarbij het gaat om de indrukken die
klanken of klankgroepen geven; het betreft hier vaak dichterlijke taal. Ook jonge
kinderen vormen zulke woorden; een oud voorbeeld is: "hobbeldebiebuik"
als aanduiding voor 'rups'. 'De Lantaarn'
wil benadrukken, dat vanaf het begin bij lezen het begrijpend lezen veel aandacht
moet krijgen. We komen de laatste tijd vier aspecten tegen die belangrijk zijn
om beter te kunnen begrijpen wat je leest. Vier strategieën dus. Hoe
leer je beter te begrijpen wat je leest? 1.
Voorspellen. Als je een stukje gelezen of gehoord hebt, hoe zou het dan
verder gaan? En ook: als ik op de titel let en naar de afbeeldingen kijkt, wat
zou er dan allemaal aan de orde kunnen komen? Zo'n aandachtspunt activeert de
voorkennis over het onderwerp en stimuleert ook de motivatie om te lezen of het
klopt. 2. Onduidelijkheden ophelderen. Wat betekent dit woord of
deze zin? Vraag het je af en probeer een antwoord te vinden. Uit de tekst zelf
of door het te vragen aan iemand anders. 3. Samenvatten. Geef de
belangrijkste punten met eigen woorden in het kort weer. 4. Vragen samenstellen.
Maak een vraag over het belangrijkste deel van de tekst, eventueel over enkele
tekstdelen. En verder: begrijpend lezen
wordt voorbereid en ondersteund door begrijpend
luisteren. Als lezer luister je als het ware naar wat de schrijver
te zeggen had, toen hij de woorden aan het papier toevertrouwde. De leestechniek
is eigenlijk alleen maar een middel om je met de schrijver te kunnen verbinden.
De luistervaardigheid is er niet vanzelf,
maar moet geleerd en ontwikkeld worden. 't Is een denkproces waarbij horen,
begrijpen, herinneren, combineren, concentreren, onderscheiden, interpreteren
een belangrijke wisselwerking met elkaar hebben. Dit is van groot belang voor
de algemene ontwikkeling, de uitbreiding van de woordenschat en het leren lezen.
Verder worden onze reacties erdoor bepaald; begrijpend luisteren is belangrijk
in het sociale verkeer. Er zit ook een morele kant aan. Als we met onvolledige
of onjuiste informatie tot een oordeel komen, zijn we moreel niet goed bezig.
Goed begrijpend luisteren levert dus een bijdrage aan goed moreel gedrag. Wat
kunnen kinderen op een bepaalde leeftijd zoal begrijpen? Met ongeveer 6 jaar
begrijpen ze zo'n 1000 woorden. Eind groep 3 zijn dat er ongeveer 4000, waarvan
het kind er zo'n 600 kan lezen. Eind groep 4 worden ongeveer 9000 woorden begrepen
en kan het kind er zo'n 3000 lezen. Het
zal duidelijk zijn, dat in alle groepen van de basisschool systematisch aandacht
moet worden besteed aan begrijpend luisteren. De vier elementen van begrijpend
lezen zijn ook essentieel voor begrijpend luisteren:
- voorspellen
- onduidelijkheden
ophelderen
- samenvatten
- een
belangrijke vraag stellen
In
de groepen 1 t/m 4 is voorlezen hiervoor een belangrijk
middel en dan met een bepaalde systematiek. 
terug naar het begin
Voorlezen.
Het gaat in dit verband dus om het stimuleren van het begrijpend luisteren
d.m.v. voorlezen. Belangrijk hierbij is de interactie met de leerkracht en dat
gaat in een kleinere groep van zo'n 6 kinderen beter dan in de groep als geheel.
Ook het voorlezen door ouders thuis kan een bijdrage leveren. Dus: probeer naast
het voorlezen in de grote groep ook voorlezen in een kleine groep te organiseren
en stimuleer ook het voorlezen thuis. Maar
hanteer een bepaalde systematiek en draag dit ook aan voorleeshulpen over en aan
ouders voor thuis.
Voorbeeld
van een werkwijze. (Als deze goed bevalt, maak dan een simpel video-bandje met
een demonstratie van de verschillende fases met een individuele leerling; neem
onderstaande beschrijving over en gebruik bandje en beschrijving om nieuwe voorleeshulpen
en ouders 'in te werken'. Dat bespaart tijd en is effectief.) Werkwijze
in een groep. - voorbereiding
- aansluiten bij interesse en ontwikkelingsniveau van de kinderen
- wat
is er in de groep aan de orde?
- de tijd van het jaar
- wat
lijken moeilijke woorden voor de kinderen?
- hoe introduceer
ik het verhaal?
- op welk punt van het verhaal ga ik
met de kinderen samenvatten (ook letten op de tijdsvolgorde)?
- wat
is een goed moment om de kinderen te laten voorspellen hoe het misschien afloopt?
- wordt
er in het verhaal een bepaald probleempje opgelost, waarvan ik het belangrijk
vind om dit met de kinderen door te nemen?
- introductie
van het verhaal
- afbeeldingen bekijken
- waar
zou het verhaal over kunnen gaan?
- weet je daar zelf
ook al iets van?
- enkele moeilijke woorden bespreken
- in
één zin het verhaal introduceren (bijv. dit verhaal gaat over een
jongetje dat een jong hondje krijgt)
- interactief
voorlezen (de voorlezer stelt regelmatig samenvattende vragen over het voorgelezene,
laat kinderen voorspellingen doen over de voortgang van het verhaal, vraagt zich
bij de moeilijke woorden af wat ze ook al weer betekenen, denkt zo nu en dan hardop
om het verhaal te kunnen volgen)
- beginnen met
voorlezen en zo nu en dan onderbreken met bovengenoemde activiteiten
- afsluiten
met een samenvatting van het verhaal, waarbij bij de kinderen het geheugen geactiveerd
wordt m.b.t.: de titel, belangrijke namen, de grote lijn van het verhaal, het
verloop van een belangrijke situatie, moeilijke woorden. Opmerking: laat dit
vooral ook individueel doen (buiten de groepssituatie) als er twijfels zijn of
het betreffende kind genoeg profiteert van het voorlezen. Kijk ook nog eens bij
de 'risicokinderen'.
- verwerkingsactiviteiten
eventueel.
Twee slotopmerkingen
over interactief voorlezen. - Maak
een rooster, waarbij verhaal 1 de volgende dag interactief terugkomt in de vorm
van navertellen en individueel reageren; dit is dus dag 2. Op dag 3 begint een
nieuw verhaal, dat op dag 4 weer terugkomt.
- Verhalen
moeten aan jonge kinderen meerdere keren worden voorgelezen om ze goed te laten
begrijpen. Elke keer krijgt het kind meer inzicht en het kan weer aandacht besteden
aan het verder begrijpen van woorden. Wie op individuele wijze met kinderen omgaat
(bijv. thuis), weet al lang dat kinderen dit fijn vinden; het argument dat je
steeds iets nieuws moet hebben om ze te boeien, gaat niet op. Je boeit ze door
de manier waarop de interactie wordt vormgegeven. Herhaald voorlezen is ook op
school belangrijk! Inroosteren dus.

terug naar het begin
Ouders
helpen hun kind. Vaak nemen ouders
zelf het initiatief om hun kind thuis met het leren lezen te helpen als het allemaal
niet zo wil lukken op school. Of de school raadt ze aan 'elke dag een kwartiertje'
thuis met het kind te lezen. Maar zo'n advies is veel te ruim. Met welke boekjes,
door wie, op welk moment, hoeveel weken en hoe doe je dat? Vooropgesteld
dit: als er ernstige leesproblemen zijn, dan luisteren
de afspraken tussen school en ouders zeer nauw. Anders ontstaan er thuis alleen
maar nog meer frustraties bij het kind en ook bij de vader of moeder. En hier
komen we al meteen bij het volgende punt: wie gaat thuis
helpen? 't Vraagt geduld, opgewektheid, tijd en volharding. Daar moet je
het thuis onderling over hebben om na te gaan wie het meest geschikt is. Soms
wordt een ouder broertje of zusje ingeschakeld, maar wij van 'De Lantaarn' zouden
er dan wel absoluut zeker van willen zijn, dat de onderlinge verhouding tussen
de beide kinderen niets te wensen over laat. Anders niet aan beginnen. Het
ligt voor de hand dat de school aangeeft welke boekjes
geschikt zijn en er eventueel voor zorgt. En
dan 'hoe vaak en wanneer'. Zo'n keer of vijf per
week gedurende 10 minuten lezen moet voldoende zijn. Er moet wel regelmaat in
zitten, dus bij voorkeur op een vast moment van de dag. En ja: het is nodig om
er wel minstens zo'n 12 oefenweken voor uit te trekken. Ons advies is om na zo'n
4 weken een week 'vakantie' in te lassen, waarbij u ook een normale schoolvakantie-week
kunt benutten en als dat beter uitkomt desnoods een week langer doorgaat met oefenen.
Zo beslaat de oefenperiode dan zo'n 14 weken. Teken dit alles aan op de kalender
en betrek uw kind daarbij, zodat het kan zien waar het aan toe is. En dan nog
iets: de beste maanden zijn september t/m november en januari t/m maart. Dus school
en ouders moeten in december tot afspraken komen voor het lopende cursusjaar of
aan het eind van het cursusjaar afspreken in september intensief te gaan oefenen.
En na zo'n oefenperiode doet men er goed aan om wekelijks nog een kwartier met
het kind te lezen 'om de vinger aan de pols te houden'. De
werkwijze van het helpen heeft kenmerken van het
voorlezen, zoals we eerder beschreven. - de
keus van het boek of verhaaltje maakt het kind zelf binnen de mogelijkheden die
school en ouders bij de boekkeus hebben afgesproken.
- ouder
en kind zijn op elkaar betrokken bezig: ze lezen samen; dat is niet alleen zo
qua gang van zaken, maar ook als houding van de ouder t.o.v. het kind: we moeten
er samen uitkomen. Door:
- eerst samen hardop
lezen, waarbij de ouder wat op de achtergrond spreekt op een half-luide toon;
bij een leesfout verbetert de ouder. Als dit goed gaat, komt pas de volgende stap
aan de orde.
- dan leest het kind alleen en zachtjes
fluisterend komt de ouder er achteraan; bij een hapering of fout wacht de ouder
enkele seconden of het kind zichzelf verbetert. Zo niet, dan wordt voorgezegd
met herhaling door het kind en samen lezen ze weer even hardop verder met na de
volgende zin een afnemend volume van de ouder naar fluisteren.
- het
kind leest alleen en bij een fout zegt de ouder na enkele seconden voor.
Naar
de mening van 'De Lantaarn' zou de school er goed aan doen om de betreffende ouders
bij elkaar te halen voor een instructie van de werkwijze.
Bovendien zou het handig zijn om een video-bandje hiervan te maken, met een beschrijving
van de werkwijze erbij. Net als bij de voorleesinstructie. Ouders kunnen dat eventueel
nog eens bekijken om de aanpak goed helder te krijgen. En in nieuwe situaties
kan het weer als instructie-materiaal gebruikt worden. (Als het maken van zo'n
bandje problemen geeft, overleg dan met de onderwijsbegeleidingsdienst.)

terug naar het begin
Al
in groep 2 met lezen leren beginnen? Tot nu toe
wordt het niet met zoveel woorden gepropageerd om in groep 2 met lezen leren te
beginnen, maar er is in ieder geval een tendens waarneembaar om allerlei voorbereidende
leeractiviteiten naar de kleuterperiode te verplaatsen. Behoorlijk wat kinderen
in groep 2 ontwikkelen ook zoveel interesse voor de 'meebeleefde wereld' van de
volwassene op het punt van lezen, dat ze gemotiveerd zijn om de kansen om er meer
van te weten te komen, op te pakken. Dat geldt vaak nog meer als ze de wereld
van een ouder broertje of zusje in dat opzicht meebeleven; ze willen ook kunnen
wat de ander kan. Wij van 'De Lantaarn'
zijn er geen voorstander van om het lezen leren volgens een leesmethode van groep
3 voor een deel naar groep 2 te verplaatsen. Maar het is van het grootste belang
dat de leerkracht van groep 2 tot in detail op de hoogte is van de opbouw van
het lezen leren. Dan pas kan hij of zij ontwikkelingskansen bieden op het gebied
van lezen leren (men spreekt ook wel van 'ontluikende geletterdheid', maar we
vinden dat een nogal hoogdravende terminologie; ons heeft het altijd doen denken
aan zeer belezen mensen: de geletterden, en aan letterkunde, enz.). In
dit verband nog iets: als we het hebben over het bieden van ontwikkelingskansen,
dan bedoelen we: aan alle kinderen en niet alleen aan hen die op dit gebied al
wat kennis en vaardigheden ontwikkeld hebben. Qua inhoud moet er vooral ingezet
worden op de taalontwikkeling en op een specifiek gebied ervan, namelijk het bewustzijn
van klanken. En wel van globaal naar meer gestructureerd. We lichten dit laatste
toe. Als je weet welke klank bij welke
letter hoort, dan formuleert men dat als volgt: de koppeling tussen foneem (klank)
en grafeem (letterteken) wordt beheerst (: de foneem-grafeem koppeling). Als je
de losse klanken uit een woord op het gehoor kunt losmaken, dan ben je in staat
om zeer gestructureerd zo'n klankbrij te beluisteren en wat je hoort, kun je ook
nog zeggen, dus in je spraakorgaan dit uitdrukken (het zgn. hakken). Je hebt dan
als kind een hoge graad van klankbewustzijn ontwikkeld.
In onderstaande fases, die zo ongeveer vanaf groep 1 worden doorlopen tot in groep
3, is het de zesde fase (om die fase te bereiken is meestal instructie nodig):
- het
kind kan gebruikelijke woorden uit de moedertaal nazeggen en zelf de woorden op
het leeftijdsniveau goed vormen
- het
kan rijmen
- het kan op
het gehoor woorden die uit twee zelfstandig voorkomende en als zodanig bekende
delen bestaan, in die delen verdelen; voorbeeld: |voetbal|
wordt |voet| |bal|
- uit
het voorgaande kan het ook een deel weglaten en ook zelf zo'n woord samenstellen
uit de losse delen |voet| |bal|
- het
kan op het gehoor een woord in klankgroepen opdelen. Voorbeeld: |plakselpotje|
wordt |plak| |sel| |po| |tje|
en ook weer samenvoegen
- het
kind begint de losse klanken in een woord te onderscheiden (uiteraard op het gehoor);
voorbeeld: |vis| wordt
|v| |i| |s| (hakken, analyseren)
- het
kan van losse klanken een woord vormen: |v| |i| |s| wordt
|vis| (plakken, synthetiseren)
| Nu nog
de stap om bij die losse klanken de bijbehorende letter te leren. In de leesmethode
van groep 3 gebeurt dat min of meer tegelijk. Hoever
kan men nu in groep 2 gaan? In principe lijkt er niets op tegen om de ontwikkelingskansen
voor alle bovenstaande fases voor alle kinderen in de tweede helft van groep 2
te creëren. En wat ons betreft mag in de zesde en zevende fase bij de klank
best de bijbehorende letter getoond worden. Alles op de gebruikelijke speelse
manier en niet met een streeflijst van aan te leren letters. Het gaat om het klankbewustzijn
en in de laatste fase om de notie hoe lezen in elkaar zit. Vanuit de reeds bepleite
deskundigheid op het gebied van het leren lezen, weet de leerkracht in welke clusters
de letters qua volgorde van aanbieding verdeeld kunnen worden. Die volgorde moet
uiteraard worden aangehouden; binnen elk cluster is men vrij. Wij
van 'De Lantaarn' zijn er een voorstander van om kinderen bij wie het klankbewustzijn
zich moeizaam ontwikkelt en die in groep 2 blijven steken vóór de
zesde fase in bovenstaand overzicht, nadrukkelijk in de gaten te houden en in
het gedifferentiëerd omgaan met de groep extra te ondersteunen. Het zijn
risicokinderen maar er is genoeg voor hen te doen. Met het buiten de groep helpen
van deze kinderen zouden we voorzichtig zijn: als er voor alle kinderen zo nu
en dan werk 'in de kleine groep' is, dan is er niets aan de hand.

terug naar het begin

(zo gaat u naar:) Informatie
van anderen.
aantal
bezoekers
Nieuwe Adviesdienst voor School en Ouders ~ 'De Lantaarn'

terug naar het begin Hebt u
opmerkingen, aanvullingen, suggesties of vragen, wij zijn te bereiken via E-mail
door te klikken op: 
Terug naar het
overzicht van wat 'De Lantaarn' te bieden heeft. 
|