terug naar:


Het team als voorbeeld naar de kinderen.

In de ideale situatie kunnen
kinderen tegen volwassenen hetzelfde zeggen als andersom.

Een goede vertrouwensrelatie tussen kinderen en leerkrachten, tussen kinderen onderling en tussen leerkrachten onderling, is voorwaarde om binnen de school te komen tot:

  • een vertrouwelijke sfeer waarin je je begrepen en dus veilig voelt,
  • goede samenwerking en
  • wederzijds respect.

Dit leidt tot intrinsieke motivatie.

Daarbij heeft het team, in de manier van omgaan met elkaar, een belangrijke voorbeeldfunctie naar de kinderen.
Aan de positieve wijze waarop de leerkrachten onderling functioneren, zien de kinderen de vriendelijkheid naar elkaar, de gezelligheid, de manier waarop je met elkaar kunt overleggen en hoe je omgaat met eventuele problemen.

Teamfunctioneren.

Hoe bereik je als team een goede onderlinge sfeer en, net zo belangrijk, hoe houd je deze in stand?

Enerzijds is er de vrijheid voor elke leerkracht om de eigen vorm te vinden in de pedagogische taak waarvoor men staat; als een kunstenaar min of meer. Anderzijds is er de verantwoordelijkheid die je hebt als lid van het schoolteam. Die verantwoordelijkheid heeft twee kanten:

  • je kunt op het schoolteam terugvallen als daar bepaalde besluiten zijn genomen; je kunt op je collega’s vertrouwen
  • de andere kant is, dat je voor de taak staat om die besluiten ook uit te voeren.

Het spreekt haast vanzelf dat hierbij het principe van consensus hoort als het gaat om de besluitvorming. Dat hoeft geen kwestie te zijn van ‘eindeloos vergaderen’. Vaak is het zo, dat in die besluitvorming diegene gevolgd wordt, die het meeste gezag heeft op grond van onderwijskundige scholing, ervaring en vaardigheden, gevoegd bij de kennis van de schoolbevolking.

De leden van het schoolteam kennen als het ware dit gezag toe. Dit kan enigszins onzichtbaar gebeuren, maar het is een goede zaak als dit ook uitgesproken wordt en niet min of meer onzichtbaar blijft. Doorgaans zal het hierbij gaan om de schoolleiding; daarvoor zijn de genoemde kenmerken dus belangrijk. Maar bij bepaalde onderwerpen kan de directie van de school voorstellen om de mening van één van de teamleden te volgen. Dat is dan een toegekend gezag dat eveneens berust op de meeste kennis van zaken.

Voor het goed functioneren van een team worden ook vaak de management-kwaliteiten van de schoolleider genoemd. Inderdaad is het inmiddels zo dat deze een belangrijke rol zijn gaan spelen (zo niet de belangrijkste) door de regelgeving, overlegstructuren en ingeslopen gewoontes. Maar komt dit de school ten goede? Dat is alleen maar het geval, als er een goede samenhang is tussen managementvaardigheden en onderwijskundige en pedagogische kwaliteiten.

Continuïteit in het teamfunctioneren.

Het lijkt zo ideaal als een schoolteam als een soort vriendenclub beschouwd wordt. Maar er schuilt een risico in wanneer je als individu ervan uitgaat dat je met je collega’s als vrienden omgaat. Heeft ieder van de collega’s dat gevoel ook? Of getuigen sommige goede contacten eigenlijk van een goede sociale vaardigheid zonder dat je van vriendschap mag spreken? Dat is geen vorm van onoprechtheid, alsof iemand je de illusie geeft dat het gaat om vriendschap terwijl het gewoon een soort sociale handigheid is. Zo is die ander echt, maar je hebt het zelf als vriendschap geïnterpreteerd. En in tijden van spanningen op het persoonlijke vlak kan dan blijken dat zo'n team van vrienden toch onder druk staat.

Een andere ernstige bedreiging wordt gevormd door verandering van de samenstelling van het schoolteam. Hoe vaak gebeurt het niet dat ‘een gouden team’ hierdoor minder gaat functioneren? Een belangrijke schakel is dan dikwijls over het hoofd gezien: een nieuwe collega moet grondig worden ingewerkt en dat gebeurt vaak veel te kort.

Zo iemand moet eerst eens een half jaar ‘leerling’ willen en mogen zijn als het gaat om de positie in het team. Je luistert, neemt op, probeert je groep zo goed mogelijk te runnen en je hoeft nog geen algemene taken te verrichten (behalve misschien pleinwacht!); je wordt steeds verder ingewerkt. Het is een goede zaak om dan ook een ‘maatje’ te hebben, die je met raad en daad bijstaat.

Dan komt er een half jaar waarin je mee gaat praten en ook geleidelijk algemene taken op je neemt; je leert het beleid van de school steeds beter kennen maar je beslist nog niet mee.

Na dit eerste jaar op deze school word je volluit teamlid. Je inwerkperiode is voorbij: van leerling naar gezel en vervolgens ‘meester’ (of ‘juf’ dan).

In feite moet een nieuwe collega in een verkort proces dezelfde ontwikkeling meemaken als het oorspronkelijke team heeft doorlopen.

Het begeleiden van het schoolteam en een eventuele nieuwkomer blijkt een essentiële functie te hebben in de continuïteit van het teamfunctioneren.