|
In de
ideale situatie kunnen Een goede vertrouwensrelatie tussen kinderen en leerkrachten, tussen kinderen onderling en tussen leerkrachten onderling, is voorwaarde om binnen de school te komen tot:
Dit leidt tot intrinsieke motivatie.
Teamfunctioneren. Hoe bereik je als team een goede onderlinge sfeer en, net zo belangrijk, hoe houd je deze in stand? Enerzijds is er de vrijheid voor elke leerkracht om de eigen vorm te vinden in de pedagogische taak waarvoor men staat; als een kunstenaar min of meer. Anderzijds is er de verantwoordelijkheid die je hebt als lid van het schoolteam. Die verantwoordelijkheid heeft twee kanten:
Het spreekt haast vanzelf dat hierbij het principe van consensus hoort als het gaat om de besluitvorming. Dat hoeft geen kwestie te zijn van ‘eindeloos vergaderen’. Vaak is het zo, dat in die besluitvorming diegene gevolgd wordt, die het meeste gezag heeft op grond van onderwijskundige scholing, ervaring en vaardigheden, gevoegd bij de kennis van de schoolbevolking. De leden van het schoolteam kennen als het ware dit gezag toe. Dit kan enigszins onzichtbaar gebeuren, maar het is een goede zaak als dit ook uitgesproken wordt en niet min of meer onzichtbaar blijft. Doorgaans zal het hierbij gaan om de schoolleiding; daarvoor zijn de genoemde kenmerken dus belangrijk. Maar bij bepaalde onderwerpen kan de directie van de school voorstellen om de mening van één van de teamleden te volgen. Dat is dan een toegekend gezag dat eveneens berust op de meeste kennis van zaken. Voor het goed functioneren van een team worden ook vaak de management-kwaliteiten van de schoolleider genoemd. Inderdaad is het inmiddels zo dat deze een belangrijke rol zijn gaan spelen (zo niet de belangrijkste) door de regelgeving, overlegstructuren en ingeslopen gewoontes. Maar komt dit de school ten goede? Dat is alleen maar het geval, als er een goede samenhang is tussen managementvaardigheden en onderwijskundige en pedagogische kwaliteiten.
Continuïteit in het teamfunctioneren. Het lijkt zo ideaal als een schoolteam als een soort vriendenclub beschouwd wordt. Maar er schuilt een risico in wanneer je als individu ervan uitgaat dat je met je collega’s als vrienden omgaat. Heeft ieder van de collega’s dat gevoel ook? Of getuigen sommige goede contacten eigenlijk van een goede sociale vaardigheid zonder dat je van vriendschap mag spreken? Dat is geen vorm van onoprechtheid, alsof iemand je de illusie geeft dat het gaat om vriendschap terwijl het gewoon een soort sociale handigheid is. Zo is die ander echt, maar je hebt het zelf als vriendschap geïnterpreteerd. En in tijden van spanningen op het persoonlijke vlak kan dan blijken dat zo'n team van vrienden toch onder druk staat. Een andere ernstige bedreiging wordt gevormd door verandering van de samenstelling van het schoolteam. Hoe vaak gebeurt het niet dat ‘een gouden team’ hierdoor minder gaat functioneren? Een belangrijke schakel is dan dikwijls over het hoofd gezien: een nieuwe collega moet grondig worden ingewerkt en dat gebeurt vaak veel te kort.
In feite moet een nieuwe collega in een verkort proces dezelfde ontwikkeling meemaken als het oorspronkelijke team heeft doorlopen. Het begeleiden van het schoolteam en een eventuele nieuwkomer blijkt een essentiële functie te hebben in de continuïteit van het teamfunctioneren.
|