terug naar:

School en Buurt.

Wanneer je als leerkracht op een verantwoorde manier wilt werken, is het nodig om je te verdiepen in de achtergrond van de kinderen. Daarvoor moet je de leefomgeving kennen en ook kennismaken met de thuissituatie van al je leerlingen.
Buurtcontacten en gezinscontacten dus.
Daarbij moet je als school duidelijk maken waar je voor staat: je doelstellingen dus, die gericht zijn op het totale kind en niet alleen op het intellect.


Het kind is geen intellectuele machine, maar:

het voelt,
het wil,
het is intuïtief,
het denkt,
het heeft een driftleven.

Gezinscontacten.

Hierbij denken we in het bijzonder aan huisbezoek. Bij iedereen, en niet omdat er problemen zijn met het betreffende kind, maar juist uit preventief oogpunt. Daarom is het belangrijk om zo vroeg mogelijk in het cursusjaar bij iedereen geweest te zijn.
Bij huisbezoek treed je binnen in de privé-sfeer van mensen en met deze privacy ga je behoedzaam om.
In het algemeen is een belangrijk doel dat er een sfeer van wederzijds vertrouwen ontstaat tussen school en thuis. Daarbij kunnen normen en waarden verschillen. Je hoeft het in dit opzicht niet met elkaar eens te zijn, als je die waarden en normen maar kunt respecteren. Als ze buiten dat kader vallen, is er geen basis om verder te gaan en dan moet je dat elkaar duidelijk maken. In specifieke gevallen kan huisbezoek helpen om goed in te spelen op een problematische situatie.
Het spreekt eigenlijk vanzelf: de leerkracht gaat op bezoek in het gezin en nodigt op zijn of haar beurt ook de ouders uit om op school te komen. Wederzijds op bezoek dus.

Buurtcontacten.

We horen nog wel eens dat de leerkracht geen maatschappelijk werker is en de school geen buurthuis. Natuurlijk is het belangrijk om als school vooral tijd te investeren in je kerntaak binnen de muren van je groep. Maar dat mag geen reden zijn om het contact tussen school en buurt op een laag pitje te zetten.
Doorgaans zijn er wel instellingen te vinden voor het ontwikkelen van een buurtnetwerk. In zo’n netwerk moet de school vertrouwen uitstralen in de mogelijkheden van de kinderen: het gaat om wat ze kunnen en niet om hetgeen waarin ze falen.

De school.

In de acceptatie van het totale kind gaan we er in principe vanuit dat het aan de school ligt als een kind niet goed presteert. Bij zo’n stellingname kan het natuurlijk niet blijven. Er moet ook gehandeld worden, op basis van een handelingsplan en dan vooral vanuit de mogelijkheden die het kind wèl laat zien.
Zo kan de school een plek zijn waar de kinderen zich geaccepteerd voelen. Daarvoor zijn nodig structuur, veiligheid en duidelijkheid. En met gezag als het gaat om waarden en normen. Daarin kun je niet duidelijk genoeg zijn, waarbij je niet moet aarzelen om je macht te tonen. Maar wel met respect en liefde voor elkaar. Want het is nog altijd een ‘gouden regel’: help elkaar en hinder niemand.