terug naar:

Competitie.

De prestaties van kinderen moeten worden gewaardeerd
naar de mogelijkheden van elk kind afzonderlijk.

Een belangrijk pedagogisch uitgangspunt wordt zichtbaar als het gaat om het jezelf meten met een ander. Dat moeten we in ons onderwijs niet stimuleren en soms zelfs afremmen.

In dat opzicht vormen al die toetsen waarmee we tegenwoordig werken, een risico.

Iedereen weet waarvoor ze bedoeld zijn, namelijk om aanwijzingen te verzamelen voor het te geven onderwijs. In woorden van deze strekking moet het ook aan de kinderen uitgelegd worden. En we kunnen er ook nog bij vertellen dat je dan zelf kunt zien hoeveel je vooruit bent gegaan. Dat is ook een competitie, maar dan met jezelf.

Maar hoe vaak komt het niet voor, dat een kind een lage score negatief beleeft. De voornaamste oorzaak van deze schadelijke emotie is het oordeel van de omgeving: van de leerkracht, van de ouders en daardoor van de medeleerlingen. Als een school met een kind de toetsresultaten op een positieve manier doorneemt, dan zal het inzicht krijgen in de eigen sterke en zwakke punten. Dan wordt ook besproken waaraan de komende tijd vooral gewerkt gaat worden. Daarmee bieden we pedagogisch gezien ‘perspectief’. Het gaat om de persoonlijke motivatie van elk kind.

En de ouders dan? Die moeten toch weten hoe de vlag erbij hangt? Jazeker en we doen dat aan de hand van leerlijnen voor de verschillende vak- en vormingsgebieden. Leerlijnen bestaan uit de leerstofonderdelen die in de basisschool aan de orde komen. Daarop kunnen we aangeven welke vorderingen er gemaakt zijn en je kunt zien wat er nog te doen staat.

De school geeft daarmee inzicht in het vorderingentempo.

In de gesprekken met de ouders kan een valkuil zitten. Die valkuil zit in het woordje ‘goed’. De school zal ermee bedoelen, dat het kind maximaal gewerkt heeft. Niet in vergelijking met andere kinderen, maar met zichzelf. Maar vatten de ouders dat ook zo op? Of denken zij dan hun kind tot de goede leerlingen hoort, met name met het oog op het vervolgonderwijs?

De school zal duidelijk moeten zijn en kan dat ook in de rapportage met behulp van de leerlijnen. Het is voor mensen die niet in het onderwijs werken, moeilijk om zich een beeld te vormen van wat het vorderingenverloop betekent.

De gesprekken over kinderen zullen er met name over moeten gaan hoe het kind zich als individu ontwikkelt,

  • qua intelligentie
  • en sociaal-emotioneel.
    • Heeft het kind het gevoel erbij te horen,
    • een waardevolle positie te hebben zoals elk ander kind en
    • neemt het de verantwoordelijkheid op het niveau dat het aankan.

En van daaruit komt uiteindelijk de vraag welk schooladvies na de basisschool hierbij het beste aansluit.