Nieuwe Adviesdienst voor School en Ouders ~ 'De Lantaarn'
Naar het overzicht van wat 'De Lantaarn' nog meer te bieden heeft.
R.Feuerstein
heeft een diagnostisch instrument ontwikkeld om te bepalen wat het leerpotentieel
van mensen is en op welke manier dit aangesproken kan worden door een denktrainingsprogramma
te gebruiken. Zo'n soort test kan een leertest genoemd worden, in tegenstelling
tot de gangbare intelligentietests, die vooral het bereikte niveau bepalen en
niet aangeven hoe men dit verder kan ontwikkelen. Een centraal begrip
bij Feuerstein is modificeerbaarheid.
Hiermee wordt de mogelijkheid bedoeld, die de mens heeft om met veranderende situaties
om te gaan. In een oude definitie van intelligentie is deze gedachte ook al terug
te vinden: 'Intelligenz ist die personale Fähigkeit sich unter zweckmässiger
Verfügung über Denkmittel auf neue Vorderungen einzustellen' (1).
Als 'De Lantaarn' het goed ziet, gaat het Feuerstein vooral om de bekwaamheid
te verbeteren en daarbij ontkent hij niet dat er op het niveau van de 'denkmiddelen'
tussen mensen verschillen zijn. Verschillen in intelligentietest-resultaten, in
leeftijd, in sociale omstandigheden, enz. ('De Lantaarn' wil in dit verband
ook attenderen op verschillen tussen mannen en vrouwen die genetisch en hormonaal
bepaald zijn, en invloed hebben op ook het cognitief functioneren. Er is tot zo
ongeveer de leeftijd van acht jaar een ontwikkeling van kinderen, die bij hun
sekse past. Dat is ook het geval tussen het tiende en zestiende levensjaar. Daaraan
lijkt de opvoeder weinig te kunnen veranderen. Bron: Katholieke
Universiteit Nijmegen..) Niet alleen bij leerproblemen
kan Instrumental Enrichment verbetering
geven, maar 'de school van Feuerstein' ziet ook mogelijkheden voor volwassenen
die komen te staan voor ingrijpende veranderingen, die bijv. optreden bij technologische
ontwikkelingen in hun leefomstandigheden. Men noemt hierbij de veranderende omstandigheden
in China. Als de maatschappij mensen in problemen heeft gebracht, dan zetten wij van
'De Lantaarn' wat vraagtekens bij het enthousiasme voor het inzetten van IVP (zoals
bij werkelozen om hen te leren omgaan met de nieuwe situatie). 'De Lantaarn' meent,
dat de maatschappij dan maar al te gemakkelijk de verantwoordelijkheid voor het
veroorzaken van de problemen zal laten liggen, omdat er toch wel weer een 'oplossing'
voor is: IVP. Vergelijkbaar hiermee vinden wij het geen goede zaak als de
eisen aan het basisonderwijs gesteld, niet van de nodige faciliteiten worden voorzien
waardoor er kinderen in problemen komen en vervolgens het IVP als oplossing voor
de moeilijkheden wordt voorgesteld. StiBCO meldt dat het IVP in Nederland wordt geïntroduceerd voor personen die werkzaam zijn in de educatieve sector in brede zin. In het basisonderwijs worden testen en schoolonderzoeken veelal statisch gebruikt, d.w.z. als constatering van het bereikte niveau. 'De Lantaarn' is van mening dat deskundigen van buiten de school, zoals orthopedagogen en psychologen, zich hieraan ook nogal eens schuldig maken. Als men hun rapportage leest, treft men vaak een constatering aan van de bereikte niveaus, terwijl zelden wordt aangegeven welke elementen in ontwikkeling zijn en op welke manier deze ontwikkeling gestimuleerd kan worden. Ook het onderzoek van stagnerende schoolvorderingen komt vaak niet verder dan een niveaubepaling. Vanuit de opbouw van de leerstof kan nog wel aangegeven worden aan welke leerstof het kind dan toe is, maar niet op welke manier dit kind met deze mogelijkheden het nieuwe leerstofgebied het beste kan binnengaan. Het schriftelijk vastleggen van allerlei gegevens levert op deze manier geen bijdrage aan het stimuleren van leerprocessen. Het is de verdienste van Feuerstein dat hij met zijn Learning Potential Assessment Device (LPAD) een andere weg wijst. (Momenteel betreft het in Nederland kostbaar individueel onderzoek, maar als wij van 'De Lantaarn' goed zijn ingelicht, zijn er bij de 'school van Feuerstein' ook al groepsgewijze onderzoeken in gebruik.) Verder is een sterk punt dat er met het Instrumenteel Verrijkings Programma invloed uitgeoefend gaat worden op de manier van leren. De leraar benut met het Instrumenteel Verrijkings Programma verschillende 'instrumenten' in de communicatie met de leerlingen. Het programma is bedoeld voor kinderen met leerproblemen. De activiteiten die eruit voortvloeien versterken de cognitieve mogelijkheden. Per dag is daarvoor 40 tot 60 minuten nodig, gedurende een periode van twee jaar. Kinderen met leerproblemen halen hierdoor meer rendement uit hun leerervaringen. Dat geldt ook voor kinderen en jongeren met Down syndroom; zij ontwikkelen zich beter m.b.v. het IVP. Er ligt een grote verantwoordelijkheid bij de ouders om de verbeterde cognitieve mogelijkheden in het dagelijks leven te laten ingroeien. Het Cognitieve Enrichment
Network (COGNET) en Bright Start (voor kinderen van 3-6 jaar)
is niet bedoeld voor problematische leersituaties, maar heeft tot
doel om leerkrachten een 'onderwijsstijl bij te brengen, waardoor ze kinderen
adequaat kunnen begeleiden in het zelfstandig en efficiënt leren denken en
handelen' (3).
Het bestaat uit zo'n 200 korte lesjes van ongeveer 5 minuten.
Noten bij 'Feuerstein'. (1)William Stern. Zijn naam is verbonden met de convergentietheorie, waarin uitgegaan wordt van de onderlinge wisselwerking van aanleg en milieu. Stern is ook degene die voorstelde om als maatstaf voor de intelligentie de verhouding tussen verstandelijke leeftijd en werkelijke leeftijd te nemen. Deze verhouding werd het intelligentie-quotient genoemd (IQ). (2) StiBCO: Stichting ter Bevordering van de Cognitieve Ontwikkeling, Dronensingel 3c, 2411 GT Bodegraven. Tel. 0172-618313. Fax 0172-614173. E-mail: evd@stibco.demon.nl (3) folder StiBCO (4) Hier is een korte uitweiding op zijn plaats over Piaget en Vygotsky. Piaget ziet de omgeving als de bron waaruit het kind kan putten om zich te ontwikkelen. Zonder die bron stagneert de ontwikkeling, want er treedt geen spontane rijping op. Het kind verwerkt de ervaringen actief, maar de effecten van de activiteiten worden beperkt door het denkstadium of het denkniveau van het kind. Het kan alleen leren wat bij zijn denkstadium van het moment past. Ervaring leidt tot denken, wat weer leidt tot taal. Vygotsky benadrukt het wezenlijke van taal voor de ontwikkeling. Aanvankelijk ontwikkelen taal en denken zich min of meer afzonderlijk, maar vanaf de leeftijd van ongeveer 2 jaar komt daarin verandering. Dan gaan ze elkaar beïnvloeden, waardoor ze beide een geleidelijke verandering ondergaan: taal 'gaat naar binnen' en wordt intellectueel en denken gaat via taal verlopen om het denken te versoepelen. Aanvankelijk praat het kind hardop tegen zichzelf, beoordeelt, weegt af en handelt. Vervolgens gaat het spreken innerlijk verlopen en de materiële handelingen worden mentale handelingen. Verder stelt Vygotsky dat het onderwijs de zone van de naaste ontwikkeling zou moeten benutten om het kind in staat te stellen een hoger ontwikkelingsniveau te bereiken. In deze zone liggen de taken die het kind nog net niet aankan, maar onder leiding van een volwassene of een kind worden deze net te moeilijke taken geoefend. 'De Lantaarn' belicht op deze plaats het belang van de sociale interactie en de emotionele aspecten, bij de ontwikkeling van het denken. Bij sociale interactie in een bepaalde context zien we bijv. de klas als ondersteunende omgeving en de rol van de leraar als mediator en model van denken. Met emotionele aspecten als zelfvertrouwen, vrij zijn en je open kunnen stellen voor. (Kijk ook bij 'De Lantaarn' in het Overzicht: 'Ondersteuning van de sociaal-emotionele ontwikkeling'.) Het verbaast 'De Lantaarn'
dat we bij 'Stimulering van de denkontwikkeling' niets meer horen over de denkpsychologie
van diverse Duitse richtingen en over de Nederlandse richting rondom Kohnstamm.
Het ging hen om die hulpmiddelen te verkrijgen, 'waardoor elk kind ertoe gebracht
wordt zijn aangeboren aanleg tot de best bereikbare ontplooiing te brengen en
de moed tot zelfstandig denken niet te beknotten maar aan te wakkeren'. Uit die
tijd stamt de verbeteringsmethode van F.W.Prins, die we hier in onze bewerking
zullen weergeven. De methode is geschikt voor de bovenbouw en toepasbaar bij informatieverwerking
m.b.t. aardrijkskunde, biologie en dergelijke. Stappen: Recent is een inventarisatie
verschenen m.b.t. denktrainingsprogramma's die in Europa worden toegepast (1),
waarin 42 programma's worden beschreven. Vaak duikt het begrip metacognitie op, waarbij het gaat om het bewustzijn van iemands eigen denken. Door dit bewustzijn weten we waarom we zo handelen als we doen. Bij bijv. het toepassen van lettergreepregels bij de spelling, is het bij een fout belangrijk dat het kind leert op te sporen waar het fout ging in het denken. Daardoor wordt de metacognitie geactiveerd. Welke onderwijsdoelstellingen hebben de
programma's?(2) Het is voor ons van 'De Lantaarn'
inmiddels wel duidelijk, dat bij specifieke processen niet uitgegaan moet worden
van diverse oplossingsmethodes die kinderen hanteren. Zeker voor zwakke leerlingen
is dit een nadeel. Zij zijn gebaat met een vaste oplossingsmethode en de leerkracht
moet die ook duidelijk aangeven en aanleren.
Noten bij 'Nog meer gezichtspunten'. (1) Hamers, J.H.M. & Overtoom, M.Th. (1997). Teaching thinking in Europe. Inventory of European Programmes. Utrecht: Sardes. (2) Idem. Stimulering van het denken. Classificatie van programma's en enkele Europese trends. Ts. voor Orthoped.1997-6.
Nieuwe
Adviesdienst voor School en Ouders ~ 'De Lantaarn' Hebt
u opmerkingen, aanvullingen, suggesties of vragen: wij zijn te bereiken via E-mail Terug naar het overzicht van wat 'De Lantaarn' te bieden heeft. |